ECLI:NL:RBDHA:2020:4880
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring wegens tijdelijke belemmering uitzetting
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat vanwege het coronavirus geen redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en dat een lichter middel dan vrijheidsontneming had moeten worden toegepast.
De rechtbank overwoog dat het voortduren van de maatregel tot 1 april 2020 reeds rechtmatig was vastgesteld in een eerdere uitspraak. De vraag was nu of de maatregel sinds dat moment nog rechtmatig was. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die het coronavirus als een tijdelijke belemmering aanmerkt, waardoor uitzetting binnen een redelijke termijn nog mogelijk blijft.
Verder werd het argument van eiser dat verblijf bij een vriendin een lichter middel rechtvaardigt, verworpen omdat eiser hierover tegenstrijdige verklaringen had afgelegd en dit niet had onderbouwd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.