ECLI:NL:RBDHA:2020:4793
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering verblijfsvergunning regulier wegens ontbreken mvv en belangenafweging artikel 8 EVRM
Eiser, een minderjarige met de Russische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier om bij zijn moeder en halfbroers in Nederland te wonen. De aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Ook het bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van een mvv terecht is tegengeworpen in het besluit op bezwaar, omdat dit een volledige heroverweging betreft. Eiser had vanaf de hoorzitting in bezwaar voldoende tijd om bewijsstukken aan te leveren, maar heeft dit niet gedaan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat er geen concrete toezegging of gedraging is die het ontbreken van een mvv rechtvaardigt.
Ten aanzien van artikel 8 EVRM Pro overweegt de rechtbank dat de belangenafweging door verweerder niet onredelijk is geweest. Er is geen sprake van inmenging in het gezinsleven omdat geen verblijfsrecht is toegekend. Objectieve belemmeringen voor het verkrijgen van een mvv zijn onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook het middelenvereiste is terecht betrokken bij de belangenafweging. Het hogere belang van het kind leidt niet tot een andere uitkomst.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning regulier wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.