Verzoekster exploiteert een inrichting voor sloopwerkzaamheden en opslag van afvalstromen. Verweerder constateerde bij controles in 2018 en 2019 dat verzoekster meer metaalafval opsloeg dan toegestaan en onvergunde afvalstoffen accepteerde en opsloeg. Verweerder legde daarop een last onder dwangsom op om de overtredingen binnen twee weken ongedaan te maken.
Verzoekster maakte bezwaar tegen deze besluiten en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster voldoende gelegenheid heeft gehad om zienswijzen in te dienen en dat de overtredingen terecht zijn vastgesteld. De opslag van metaalafval overschrijdt de toegestane hoeveelheid en ook onvergunde afvalstoffen zijn aangetroffen.
Verzoekster voerde dat handhavend optreden onevenredig is vanwege economische gevolgen en coronamaatregelen, maar de rechter acht dit onvoldoende onderbouwd. Er is geen concreet zicht op legalisatie van de overtredingen. De termijn van twee weken om de overtredingen te herstellen is niet onredelijk. De voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de primaire besluiten naar voorlopig oordeel stand zullen houden.