ECLI:NL:RBDHA:2020:4601

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2020
Publicatiedatum
25 mei 2020
Zaaknummer
NL20.9788
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring wegens redelijk vooruitzicht op verwijdering

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is op 31 januari 2020 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank toetste of sinds het sluiten van het eerdere onderzoek op 30 maart 2020 de maatregel nog rechtmatig was.

Eiser voerde aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is vanwege de langdurige sluiting van het Marokkaanse luchtruim door COVID-19 en het ontbreken van een laissez-passer. De rechtbank verwijst naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin de luchtruimsluiting als tijdelijke belemmering werd aangemerkt. Eiser maakte onvoldoende concreet waarom in zijn geval verwijdering niet binnen een redelijke termijn mogelijk is.

Verder stelde eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde en onvoldoende inspanningen verrichtte om medewerking van Marokkaanse autoriteiten te verkrijgen. De rechtbank constateerde dat verweerder regelmatig rappelleerde en meerdere vertrekgesprekken voerde, waarbij eiser niet meewerkte. Ook het verzoek om toepassing van een lichter middel werd afgewezen omdat de maatregel van bewaring gemotiveerd en passend werd geacht.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.9788

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 31 januari 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 8 mei 2020 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 april 2020 (in de zaak NL20.6630) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 30 maart 2020 dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Eiser voert primair aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is, omdat niet langer kan worden gesteld dat de corona-maatregelen, waaronder de sluiting van het Marokkaanse luchtruim, tijdelijk van aard zijn. Subsidiair voert eiser aan dat de Marokkaanse autoriteiten tot op heden geen laissez-passer (hierna: LP) hebben afgegeven en de kans dat zij dit doen voordat de redelijke termijn is verstreken, erg klein is. Daarbij komt dat Marokko in zijn algemeenheid weinig LP's afgeeft.
3.1
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. In dat kader acht de rechtbank van belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bij uitspraak van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1141), zeer recent dus, heeft geoordeeld dat de (enkele) omstandigheid dat Marokko op dit moment het luchtruim heeft gesloten wegens de uitbraak van het coronavirus, op dit moment nog aan te merken is als een tijdelijke belemmering. Eiser heeft niet concreet gemaakt waarom deze omstandigheid maakt dat de uitzetting in zijn geval niet meer binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden.
3.2
Verder is de rechtbank van oordeel dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4460) en ook heeft herhaald in de eerder genoemde uitspraak van 29 april 2020, er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de Marokkaanse autoriteiten in algemene zin geen medewerking verlenen aan het verkrijgen van de voor uitzetting benodigde documenten. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser zijn stellingen niet met stukken heeft onderbouwd en evenmin nader heeft onderbouwd waarom het in zijn geval waarschijnlijk is dat er geen LP zal worden verstrekt vóór het verstrijken van de redelijke termijn.
3.3
Deze beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Sinds het laatste beroep heeft verweerder slechts tweemaal gerappelleerd, de laatst keer was op 29 april 2020. Verweerder heeft geen vertrekgesprekken met eiser gevoerd. Bovendien heeft verweerder onvoldoende inspanningen verricht om eisers zaak onder de aandacht te brengen van de Marokkaanse autoriteiten.
4.1
De rechtbank overweegt als volgt. Allereerst heeft eiser met dit betoog niet onderkend dat verweerder afhankelijk is van de medewerking van de Marokkaanse autoriteiten. Daarnaast blijkt uit het voortgangsrapport van 1 mei 2020 dat verweerder regelmatig rappelleert (tweemaal in februari, eenmaal in maart en tweemaal in april) op de LP-aanvraag. Ook heeft verweerder driemaal vertrekgesprekken gevoerd met eiser, op 30 januari, 18 februari en 2 april 2020. In de vertrekgesprekken die met eisers zijn gevoerd is telkens verzocht om informatie over zijn identiteit en nationaliteit. Eiser heeft blijkens het digitale dossier hieraan geen gehoor gegeven. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder in dit geval voldoende voortvarend gehandeld.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Tot slot voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel wordt toegepast, zoals een borgtocht. Eiser wil namelijk asiel aanvragen en daarom is het niet waarschijnlijk dat eiser zich zal onttrekken aan het toezicht.
5.1
De rechtbank overweegt dat verweerder in de maatregel van bewaring van 31 januari 2020 heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiser geen minder dwingende maatregel dan de maatregel van bewaring doeltreffend kan worden toegepast. In de uitspraak van 14 februari 2020 (NL20.2710) heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat verweerder zich terecht op dit standpunt heeft gesteld. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser in dit beroep aangevoerde omstandigheden niet maken dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij acht de rechtbank van belang dat niet is gebleken dat niet langer sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. Dat eiser asiel wil aanvragen is daartoe onvoldoende. Bovendien is hem tijdens het vertrekgesprek van 2 april 2020 verteld, dat hij dit ook vanuit de bewaring kan doen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier.
Deze uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:
Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus zal deze uitspraak niet worden uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.