ECLI:NL:RBDHA:2020:4574
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening opheffing ongewenstverklaring en toegangsweigering
Verzoeker, een Belgisch staatsburger woonachtig in Duitsland, is ongewenst verklaard vanwege vermeende betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven in Afghanistan. Hij verzocht om opheffing van deze ongewenstverklaring, wat door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Hiertegen is bezwaar gemaakt, dat eveneens ongegrond werd verklaard. Verzoeker stelde vervolgens beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die hem toestaat naar Nederland te reizen om het beroep af te wachten en de zitting bij te wonen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de voorlopige voorzieningenprocedure niet geschikt is voor een voorlopig oordeel over de kans van slagen van het beroep. Tevens is vastgesteld dat er geen zwaarwegende individuele belangen zijn die een tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring rechtvaardigen, zoals eerder geconcludeerd in een uitspraak van november 2019. Het verzoek om gedurende de procedure en tot vier weken na de uitspraak in Nederland te verblijven wordt daarom afgewezen.
Wat betreft het bijwonen van de zitting is van belang dat deze vanwege de coronacrisis via een telefonische of beeldverbinding zal plaatsvinden, zodat fysieke aanwezigheid in Nederland niet noodzakelijk is. Hierdoor ziet de voorzieningenrechter geen reden om het verzoek toe te wijzen. Het verzoek wordt derhalve geheel afgewezen zonder proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot opheffing van de ongewenstverklaring en toelating tot Nederland wordt afgewezen.