ECLI:NL:RBDHA:2020:4517

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2020
Publicatiedatum
22 mei 2020
Zaaknummer
AWB 19/7938 en AWB 19/6059
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet tijdig aanleveren medische informatie bij aanvraag uitstel van vertrek

Eiseres, een Sri Lankaanse vrouw met ernstige medische klachten waaronder diabetes, nierinsufficiëntie en rolstoelafhankelijkheid, vroeg uitstel van vertrek aan. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling omdat essentiële medische informatie ontbrak, ondanks herhaalde verzoeken om aanvullende gegevens binnen een termijn van 14 dagen.

Eiseres voerde aan dat voldoende medische stukken waren overgelegd en dat het Bureau Medische Advisering (BMA) de aanvraag inhoudelijk had behandeld. De rechtbank oordeelde echter dat de aangeleverde stukken niet alle gevraagde informatie bevatten, met name over mantelzorg, en dat het BMA niet zelf informatie had opgevraagd. Ook was het niet aannemelijk dat verweerder te vroeg een besluit nam, aangezien eiseres pas op de laatste dag van de termijn reageerde zonder te melden dat de huisarts nog moest antwoorden.

Verder stelde eiseres dat verweerder een verzwaarde motiveringsplicht had op grond van het arrest Paposhvili van het EHRM, maar de rechtbank wees dit af omdat eiseres niet eerst een volledige aanvraag met alle benodigde bewijsstukken had ingediend. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het niet tijdig aanleveren van benodigde medische informatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 19/7938 (beroep) en AWB 19/6059 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 28 april 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om uitstel van vertrek (artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000; Vw 2000), buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 19 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2020. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1947 en heeft de Sri Lankaanse nationaliteit. Zij heeft een aanvraag om uitstel van vertrek gedaan, omdat zij meerdere medische klachten heeft. Eiseres heeft namelijk diabetes en nierinsufficiëntie, hypertensie en zij heeft een visuele beperking. Eiseres geeft aan dat zij rolstoelafhankelijk is, een diabetische voet heeft en meerdere keren per week gedialyseerd wordt.
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres buiten behandeling gesteld, omdat volgens hem nog medische informatie ontbreekt, die het Bureau Medische Advisering (BMA) nodig heeft om de aanvraag inhoudelijk te beoordelen. Verweerder heeft bij brief van 8 juli 2019 aan eiseres gevraagd om aanvullende medische informatie van haar huisarts over onder meer de mate waarin eiseres rolstoelafhankelijk is en waarin mantelzorg aanwezig is. Eiseres heeft volgens verweerder niet binnen de gestelde termijn van 14 dagen de gevraagde medische informatie overgelegd.
3. Eiseres is het niet eens met het besluit van verweerder. De rechtbank gaat hierna in op de argumenten die zij aanvoert.
Het oordeel van de rechtbank
4. Eiseres voert aan dat verweerder voldoende medische informatie had om de aanvraag inhoudelijk in behandeling te nemen. Zij heeft namelijk al veel medische informatie overgelegd vanaf het moment van haar aanvraag, en verweerder was volgens haar daarvóór al op de hoogte van haar beperkingen.
4.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog. Hoewel eiseres inderdaad meerdere medische stukken heeft overgelegd, geven die stukken geen antwoord op alle vragen die het BMA in de brief van 8 juli 2019 heeft gesteld. Dat geldt ook voor het medisch patiëntendossier van eiseres, dat verweerder desgevraagd na de zitting alsnog aan het dossier van de rechtbank heeft toegevoegd. Daarin wordt namelijk niet ingegaan op onder meer de vraag of en, zo ja, in welke mate eiseres mantelzorg ontvangt. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat benodigde medische informatie op het moment van voornoemde brief nog ontbrak.
5. Eiseres betoogt verder dat verweerder de aanvraag wel degelijk inhoudelijk in behandeling heeft genomen. Dat blijkt volgens haar uit het feit dat de brief van de huisarts van 8 augustus 2019 direct gericht is aan het BMA, terwijl eiseres van die brief alleen een kopie heeft ontvangen. Daar volgt volgens eiseres uit dat het BMA direct aan de huisarts medische vragen heeft gesteld, waarmee het BMA de aanvraag inhoudelijk in behandeling heeft genomen.
5.1.
De rechtbank volgt eiseres niet. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het BMA zelf de informatie bij de huisarts heeft opgevraagd. Voor die stelling is onvoldoende dat de adressering van de brief van 8 augustus 2019 direct aan het BMA gericht is. Een aannemelijke alternatieve verklaring is namelijk dat, nadat de advocaat de brief van het BMA van 8 juli 2019 heeft doorgestuurd aan de huisarts, de huisarts omwille van een snelle afhandeling zijn antwoord direct aan het BMA gericht heeft. Eiseres heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het BMA haar aanvraag inhoudelijk in behandeling heeft genomen.
6. Eiseres voert daarnaast aan dat het BMA haar ook zelf had kunnen horen om de benodigde medische informatie te verkrijgen. Daarnaast heeft de huisarts de vragen van verweerder wel degelijk beantwoord, namelijk bij de hiervoor genoemde brief van 8 augustus 2019. Verweerder heeft volgens eiseres ten onrechte niet gewacht op die antwoorden van de huisarts voor het nemen van de beslissing op bezwaar.
6.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog. Het BMA heeft inhoudelijke medische informatie aan de huisarts gevraagd als medisch deskundige. Eiseres is geen medisch deskundige. Haar antwoorden in een gesprek met een BMA-arts kunnen dus niet in plaats van de antwoorden van de huisarts gebruikt worden voor een inhoudelijke, medische beoordeling. Voor zover eiseres ook bedoelt te stellen dat de BMA-arts zelf ook lichamelijk onderzoek had kunnen verrichten, overweegt de rechtbank dat het in eerste instantie aan het BMA is om te bepalen hoe zij het onderzoek uitvoert en welke informatie zij daartoe nodig heeft.
6.2.
Verder volgt de rechtbank niet eiseres’ betoog dat verweerder op de brief van de huisarts van 8 augustus 2019 had moeten wachten voor het nemen van de beslissing op bezwaar. Verweerder heeft in de brief van 8 juli 2019 namelijk een termijn genoemd van 2 weken voor de beantwoording van de daarin gestelde vragen. De gemachtigde van eiseres heeft pas op de laatste dag van die termijn, op 22 juli 2019, een brief gestuurd aan verweerder. Daarin heeft hij echter niet vermeld dat hij de vragen aan de huisarts had doorgezet of dat de huisarts op vakantie was. Zij heeft in de brief van 22 juli 2019 alleen opgenomen dat verweerder alle benodigde medische informatie volgens haar al heeft. Hoewel de termijn die het BMA in de brief van 8 juli 2019 niet erg royaal is gelet op de zomervakantie, betoogt eiseres gelet op voornoemde omstandigheden ten onrechte dat verweerder de beslissing op bezwaar te vroeg genomen heeft.
7. Eiseres betoogt ten slotte dat uit het arrest Paposhvili van het EHRM [1] volgt dat verweerder in dit soort zaken een verzwaarde motiveringsplicht heeft als het gaat om de motivering waarom de al aangeleverde stukken niet tot een inhoudelijk besluit kunnen leiden. Uitzetting bij medische klachten kan namelijk in strijd zijn met artikel 3 van Pro het EVRM, aldus eiseres.
7.1.
Anders dan eiseres betoogt, is de rechtbank van oordeel dat uit het arrest Paposhvili niet volgt dat verweerder in deze zaak een verzwaarde motiveringsplicht heeft. Zoals uit dat arrest volgt, is het namelijk eerst aan eiseres om met stukken te onderbouwen dat haar uitzetting in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. [2] Pas in dat geval is het aan verweerder om te motiveren waarom dat niet het geval is. Dat betekent dat het eerst aan eiseres is om een volledige aanvraag in te dienen met alle benodigde bewijsstukken. Zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen, heeft eiseres niet alle medische stukken overgelegd die het BMA nodig heeft voor een inhoudelijke beoordeling. In die situatie had verweerder dus geen (verzwaarde) motiveringsplicht bij de beantwoording van de vraag waarom uitzetting niet in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.
Conclusie
8. De rechtbank concludeert dat verweerder eiseres’ aanvraag terecht buiten behandeling heeft gesteld vanwege het ontbreken van de medische informatie die in de brief van 8 juli 2019 is opgevraagd.
9. Het beroep van eiseres is ongegrond. Daarom wordt haar verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.P.M. Veerman-Timmer, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier en de rechter zijn beiden verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 december 2016, zaaknummer 41738/10, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810.
2.Punt 186 van het arrest Paposhvili.