ECLI:NL:RBDHA:2020:4457

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2020
Publicatiedatum
20 mei 2020
Zaaknummer
NL20.7748
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-inhoudelijke behandeling asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Soedanese nationaliteit dragende persoon, diende op 12 januari 2020 een asielaanvraag in Nederland in. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid besloot op 27 maart 2020 de aanvraag niet in behandeling te nemen omdat op grond van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser voerde aan dat hij in Duitsland was vergiftigd en afgeluisterd en dat hij psychische klachten heeft, waardoor Nederland op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening zijn aanvraag aan zich had moeten trekken. Tevens stelde hij dat de overdracht in strijd is met artikel 3 EVRM Pro en dat het besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De rechtbank oordeelde dat eiser zijn stellingen onvoldoende had onderbouwd met objectieve en verifieerbare stukken. Er was geen bewijs dat medische zorg in Duitsland niet beschikbaar was of dat klagen aldaar onmogelijk was. De overige beroepsgronden waren onvoldoende concreet gemaakt. De rechtbank concludeerde dat de Staatssecretaris terecht geen aanleiding zag de aanvraag aan zich te trekken en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet-inhoudelijk behandelen van zijn asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.7748
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. L.M. Ligtvoet-van Tuijn), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. D. Reimerink).

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft partijen op 24 april 2020 per brief geïnformeerd over haar voornemen om de zaak buiten zitting af te doen. Als één van de partijen wel een zitting wilde, moesten zij dit voor 1 mei 2020 om 17:00 uur aan de rechtbank laten weten. Geen van de partijen heeft aangegeven dat zij een zitting noodzakelijk vinden.
Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Eiser stelt dat hij is geboren op [1973] en dat hij de Soedanese nationaliteit heeft. Op 12 januari 2020 heeft hij onderhavige asielaanvraag ingediend.
Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser is het daar niet mee eens. De rechtbank begrijpt het beroep van eiser aldus dat verweerder in zijn bijzondere omstandigheden aanleiding had moeten zien om de aanvraag op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro aan zich te trekken. Eiser is in Duitsland namelijk afgeluisterd en vergiftigd. De overdracht aan Duitsland is dan ook in strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder heeft eiser waarschijnlijk psychische klachten. Voor de overige beroepsgronden verwijst eiser naar het Dublingehoor van 21 januari 2020. Tot slot voert eiser nog aan dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.
5. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet om eisers aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht te behandelen. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat door de eiser aangevoerde omstandigheden geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die voor hem aanleiding hadden moeten vormen om het asielverzoek aan zich te trekken. Eiser heeft zijn stelling dat hij in Duitsland is vergiftigd en afgeluisterd niet onderbouwd. Daarnaast heeft eiser geen objectieve en verifieerbare stukken overlegd waaruit zijn eventuele psychische problemen blijken. Verder is door eiser ook niet aangetoond dat een eventueel benodigde medische behandeling in Duitsland niet voorhanden is en dat eiser geen medische zorg zou kunnen krijgen. Van eiser mag bovendien worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen wendt tot de daartoe aangewezen instanties of (hogere) autoriteiten in Duitsland. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat klagen voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of zinloos is. Voor wat betreft de overige beroepsgronden kan eiser niet volstaan met een verwijzing naar het Dublingehoor. Eiser heeft deze beroepsgronden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet gemaakt. Gelet op het voorgaande heeft verweerder dan ook geen aanleiding hoeven zien om op de grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening het asielverzoek van eiser aan zich te trekken. Het is de rechtbank niet gebleken dat de bestreden beschikking in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
18 mei 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.