ECLI:NL:RBDHA:2020:4428
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen buiten behandeling stelling asielaanvraag en oplegging inreisverbod
Eiser, een Turkse staatsburger, diende op 24 mei 2017 een asielaanvraag in. Verweerder stelde deze aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 30c van de Vreemdelingenwet 2000 omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Tevens werd aan eiser opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Eiser voerde aan dat het terugkeerbesluit onterecht was, dat geen vertrektermijn was gegeven en dat het inreisverbod onterecht was opgelegd. Hij stelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom het risico bestond dat hij zich aan toezicht zou onttrekken en dat hij Nederland wilde verlaten om naar Georgië te gaan. Ook werd aangevoerd dat verweerder zijn paspoort had geweigerd terug te geven.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen gronden tegen de buiten behandeling stelling had aangevoerd en erkende dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank vond dat verweerder terecht de aanvraag buiten behandeling had gesteld. Verder werd geoordeeld dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod terecht waren opgelegd op basis van de wettelijke gronden, waaronder het vertrek met onbekende bestemming, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
De rechtbank concludeerde dat verweerder het risico van het zich aan toezicht onttrekken terecht aannam en dat het inreisverbod van twee jaar conform de wet kon worden opgelegd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot buiten behandeling stelling, onmiddellijke vertrekopdracht en inreisverbod is ongegrond verklaard.