ECLI:NL:RBDHA:2020:4250

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2020
Publicatiedatum
12 mei 2020
Zaaknummer
HAA 20/2324
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Janse van Mantgem
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdige betaling griffierecht in vreemdelingenzaak

Eiser, van Ugandese nationaliteit, stelde op 19 maart 2020 beroep in tegen een besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank oordeelde op grond van artikel 8:54 Awb Pro zonder zitting.

Volgens artikel 8:41 Awb Pro is het betalen van griffierecht verplicht om ontvankelijk te zijn in het beroep. Het griffierecht bedroeg €178,-. De griffier stuurde op 26 maart 2020 een aangetekende brief aan de gemachtigde van eiser met het verzoek het griffierecht binnen twee weken te voldoen. Deze brief is volgens het Track & Trace-systeem op 26 maart 2020 bezorgd en ondertekend ontvangen. Eiser heeft niet gereageerd en het griffierecht niet betaald.

Omdat eiser geen verontschuldiging voor het niet tijdig betalen heeft gegeven, verklaarde de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter J.M. Janse van Mantgem op 8 mei 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht zonder verontschuldiging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/2324

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2020 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum] , van Ugandese nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 19 maart 2020 beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht op grond van artikel 8:41, tweede lid, van de Awb € 178,-. Op grond van artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb moet het griffierecht binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier dat het verschuldigd is, zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, is het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 26 maart 2020 eiser in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit nader ingesteld onderzoek in het Track & Trace-systeem van PostNL is gebleken dat deze brief op 26 maart 2020 is bezorgd op het kantooradres van gemachtigde en dat voor ontvangst is getekend. Eiser heeft niet gereageerd.
4. Eiser heeft het griffierecht niet op tijd betaald. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus niet gebleken van een verontschuldiging voor dit verzuim.
5. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 8 mei 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.