ECLI:NL:RBDHA:2020:4213
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht tijdens COVID-19-pandemie
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, is sinds 11 januari 2020 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000. Hij stelt dat de maatregel onrechtmatig voortduurt vanwege het ontbreken van uitzicht op uitzetting, mede door de COVID-19-pandemie en de daarmee samenhangende reisbeperkingen.
De rechtbank toetst of sinds het sluiten van het eerdere onderzoek de maatregel rechtmatig is gebleven. De rechtbank verwijst naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin de coronamaatregelen als tijdelijke belemmering worden gezien, waardoor uitzetting binnen een redelijke termijn nog mogelijk is. De door eiser aangevoerde gronden slagen niet.
Eiser klaagt voorts over de detentieomstandigheden in verband met het coronavirus en beroept zich op artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank oordeelt dat de detentieomstandigheden niet onmenselijk of vernederend zijn, mede omdat de genomen maatregelen noodzakelijk zijn om verspreiding van het virus te voorkomen en vergelijkbaar zijn met de vrije maatschappij. Er is geen onderbouwing dat eiser kwetsbaarder is of dat de maatregel onevenredig bezwarend is.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter W.B. Klaus en griffier S. Pirs, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.