ECLI:NL:RBDHA:2020:413
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging
De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2006. De ouders zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De minderjarige vertoont ernstige ontwikkelingsbedreiging door emotieregulatieproblemen, antisociaal gedrag, vermoedens van drugsgebruik en contact met justitie. Tevens is er sprake van een omgekeerd dag- en nachtritme en geen zinvolle dagbesteding.
De ouders kunnen door eigen problematiek onvoldoende structuur en gezag bieden. Hulpverlening in het vrijwillige kader is niet van de grond gekomen omdat de minderjarige niet meewerkt. De kinderrechter acht een gedwongen kader noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen.
De machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding, mede vanwege de ernst van de situatie en het jonge leeftijd van de minderjarige. Plaatsing in een driemilieuvoorziening met intensieve hulpverlening en diagnostiek wordt als passend gezien.
De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht voor één jaar en machtigt uithuisplaatsing voor zes maanden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door belanghebbenden.
Uitkomst: De minderjarige wordt onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst voor intensieve hulpverlening.