ECLI:NL:RBDHA:2020:4031
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning na verbreking gezinsband zonder schending EVRM
Eiser, een Gambiaanse nationaliteit dragende vreemdeling, kreeg op 14 maart 2018 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als gezinslid van zijn echtgenote (referente). Verweerder trok deze vergunning met terugwerkende kracht per 6 november 2018 in, nadat de relatie tussen eiser en referente was verbroken. Dit werd bevestigd door een meldingsformulier van referente en een uitspraak van de rechtbank van 19 december 2018.
Eiser voerde aan dat de relatie niet definitief verbroken was en dat het besluit in strijd was met artikel 3 en Pro 8 EVRM vanwege zijn privéleven in Nederland en zijn medische situatie. De rechtbank oordeelde dat de intrekking rechtmatig was omdat de voorwaarden voor de vergunning niet meer werden voldaan. De rechtbank stelde dat het korte verblijf van eiser in Nederland en zijn langdurige verblijf in Gambia rechtvaardigen dat hij daar een nieuw bestaan kan opbouwen.
De stelling van eiser over zijn medische situatie werd niet onderbouwd met stukken en kon daarom niet slagen. De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit niet in strijd is met het EVRM en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht.