ECLI:NL:RBDHA:2020:3815
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit verblijfsvergunning medische behandeling
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor verlenging van zijn verblijfsvergunning regulier met als doel medische behandeling, welke door verweerder bij besluit van 8 augustus 2018 is afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde verweerder het bezwaar ongegrond bij besluit van 21 mei 2019. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, inhoudende opschorting van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit en het verbod tot uitzetting tot vier weken na de beroepsbeslissing.
Verweerder stelde zich niet op het standpunt van verzet tegen de voorlopige voorziening, omdat hij het Bureau Medische Advisering om aanvullend advies wilde vragen. De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van artikel 8:81, lid 1, Awb, bij onverwijlde spoed een voorlopige voorziening kan worden getroffen. Gezien het standpunt van verweerder werd het verzoek toegewezen.
De voorzieningenrechter verbood verweerder de verzoeker uit te zetten tot vier weken na de beroepsbeslissing, veroordeelde verweerder in de proceskosten van verzoeker (€525) en bepaalde dat het betaalde griffierecht (€174) aan verzoeker wordt vergoed. De uitspraak werd zonder zitting gedaan en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoeker wordt verboden tot vier weken na de beroepsbeslissing.