ECLI:NL:RBDHA:2020:3696

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2020
Publicatiedatum
22 april 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5487
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Richtlijn 2008/115/EGArt. 62 Vw 2000ECLI:EU:C:2014:2431 (arrest Boudjlida)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit met vertrektermijn van 28 dagen in bestuursrechtelijke procedure

De zaak betreft een beroep van eiser tegen een terugkeerbesluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, waarbij een vertrektermijn van 28 dagen is gesteld. Eiser stelde dat hij onvoldoende is gehoord en dat hem onterecht geen langere vertrektermijn is toegekend, verwijzend naar het arrest Boudjlida en artikel 7 van Pro de Terugkeerrichtlijn.

De rechtbank stelde vast dat tijdens het gehoor op 21 juni 2019 eiser de gelegenheid heeft gekregen zijn persoonlijke omstandigheden te bespreken, waaronder zijn vrees voor gevangenisstraf bij terugkeer. De staatssecretaris heeft daarmee voldaan aan zijn onderzoeksplicht.

Verder oordeelde de rechtbank dat op grond van artikel 62 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 de maximale vertrektermijn vier weken bedraagt, waardoor de toegewezen termijn van 28 dagen wettelijk is toegestaan.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/5487

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Coenen).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd met een vertrektermijn van 28 dagen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser betoogt dat verweerder hem te summier heeft gehoord en daarmee niet heeft gehandeld overeenkomstig de vereisten die zijn neergelegd in het arrest Boudjlida van het Hof van Justitie van de Europese unie van 11 december 2014, nr. C-249/13 (ECLI:EU:C:2014:2431) (arrest Boudjlida). Tot slot stelt eiser dat hem ten onrechte geen langere termijn voor vertrek is verleend. Eiser beroept zich hierbij op artikel 7, tweede en derde lid, van Richtlijn 2008/115/EG (hierna: Terugkeerrichtlijn).
3. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van het gehoor van 21 juni 2019 blijkt dat verweerder eiser heeft gevraagd naar redenen waarom verweerder zou moeten afzien van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Eiser heeft hierop geantwoord dat hij bij terugkeer een gevangenisstraf vreest. Verder heeft hij geen bijzonderheden genoemd.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder voldaan aan zijn onderzoeksplicht en eiser voldoende gelegenheid geboden zijn persoonlijke omstandigheden en belangen naar voren te brengen.
Voorts overweegt de rechtbank ten aanzien van eisers beroep op artikel 7, tweede en derde lid, van de Terugkeerrichtlijn dat het op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 niet mogelijk is om een langere vertrektermijn dan vier weken te verlenen. De aan eiser gegeven vertrektermijn bedraagt dan ook de wettelijk bepaalde maximale duur.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier, op 11 maart 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.