ECLI:NL:RBDHA:2020:3576
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland
Verzoeker, met de Marokkaanse nationaliteit, heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling genomen omdat Duitsland volgens het Dublin-verdrag verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. De geplande zitting op 17 maart 2020 kon vanwege de coronamaatregelen niet doorgaan. De voorzieningenrechter heeft partijen geïnformeerd dat de zaak buiten zitting zou worden behandeld, tenzij een partij een zitting noodzakelijk achtte, wat niet is gebeurd.
De voorzieningenrechter verwijst naar de bodemuitspraak in zaak NL20.5666, waarin het beroep ongegrond is verklaard. Hierdoor is een voorlopige voorziening niet meer nodig en wordt het verzoek afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan op 17 april 2020 en is niet openbaar uitgesproken vanwege coronamaatregelen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de bodemzaak ongegrond is verklaard en Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag.