ECLI:NL:RBDHA:2020:3537

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2020
Publicatiedatum
17 april 2020
Zaaknummer
NL20.5550
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland

Verzoeker, met Tadzjiekse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublin-verordening.

Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. De zitting gepland op 17 maart 2020 is komen te vervallen vanwege de coronamaatregelen. Partijen zijn schriftelijk geïnformeerd en hebben ingestemd met afdoening zonder zitting.

De rechtbank heeft in een bodemuitspraak (zaaknummer NL20.5549) het beroep ongegrond verklaard. Gezien deze uitspraak is geen voorlopige voorziening meer nodig. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M. Wolfrat en griffier A. Vranken en is niet openbaar uitgesproken vanwege de coronamaatregelen, maar wordt later alsnog openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de bodemzaak ongegrond is verklaard en Duitsland verantwoordelijk is voor de asielprocedure.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.5550
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], mede ten behoeve van zijn minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , verzoeker
V-nummers: [V-nummeraanduiding 1] , [V-nummeraanduiding 2] en [V-nummeraanduiding 3]
(gemachtigde: mr. G. Ocak), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting was, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.5549, gepland op 17 maart 2020. Naar aanleiding van de sluiting van de rechtbank vanwege de maatregelen die zijn getroffen in verband met het coronavirus is deze zitting komen te vervallen. De gemachtigde van verzoeker had de voorzieningenrechter op 15 maart 2020 al per brief laten weten dat zij en verzoeker niet aanwezig zouden zijn bij de zitting van 17 maart 2020 en de voorzieningenrechter verzocht om de zaak schriftelijk af te doen.
De rechtbank heeft partijen op 31 maart 2020 per brief geïnformeerd over haar voornemen om de zaak zonder zitting af te doen. Als één van de partijen wel een zitting wilde, moesten zij dit voor 6 april 2020 om 17:00 uur aan de voorzieningenrechter laten weten.
Verweerder heeft op 3 april 2020 gereageerd op de brief en toestemming gegeven de zaak zonder zitting af te doen. Verzoeker heeft niet gereageerd.
Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de voorzieningenrechter bepaald uitspraak te doen zonder zitting.

Overwegingen

Verzoeker stelt dat hij de Tadzjiekse nationaliteit heeft en dat hij geboren is op [geboortedatum] 1979.
Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL20.5549, heeft de rechtbank het beroep in de bodemzaak waarover dit verzoek om voorlopige voorziening gaat ongegrond verklaard.
De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af. Omdat de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard, is namelijk geen voorlopige voorziening meer nodig.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wolfrat, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
15 april 2020

Documentcode: DSR11328009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.