ECLI:NL:RBDHA:2020:3537
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland
Verzoeker, met Tadzjiekse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublin-verordening.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. De zitting gepland op 17 maart 2020 is komen te vervallen vanwege de coronamaatregelen. Partijen zijn schriftelijk geïnformeerd en hebben ingestemd met afdoening zonder zitting.
De rechtbank heeft in een bodemuitspraak (zaaknummer NL20.5549) het beroep ongegrond verklaard. Gezien deze uitspraak is geen voorlopige voorziening meer nodig. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M. Wolfrat en griffier A. Vranken en is niet openbaar uitgesproken vanwege de coronamaatregelen, maar wordt later alsnog openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de bodemzaak ongegrond is verklaard en Duitsland verantwoordelijk is voor de asielprocedure.