ECLI:NL:RBDHA:2020:3486

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2020
Publicatiedatum
16 april 2020
Zaaknummer
NL20.4346
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Janse van Mantgem
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 1 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling staatssecretaris in proceskosten na intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen verblijfsvergunning

Eiser, van Turkse nationaliteit, diende op 27 juli 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Nadat de staatssecretaris niet tijdig op deze aanvraag had beslist, stelde eiser op 18 februari 2020 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. Op 1 april 2020 besloot de staatssecretaris alsnog op de aanvraag, waarna eiser het beroep op 3 april 2020 introk.

Tegelijk met de intrekking verzocht eiser om een afzonderlijke uitspraak waarbij de staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van de procedure. De rechtbank stelde de staatssecretaris in de gelegenheid te reageren, wat op 7 april 2020 gebeurde. De staatssecretaris gaf aan bereid te zijn de proceskosten tot een bedrag van €262,50 te vergoeden.

De rechtbank oordeelde dat het beroep was ingetrokken omdat de staatssecretaris aan eiser tegemoet was gekomen en dat het verzoek om proceskostenvergoeding terecht was gedaan. De kosten betroffen professionele rechtsbijstand en vielen binnen de vergoedingsregels van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank veroordeelde de staatssecretaris daarom tot betaling van €262,50 aan proceskosten.

Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van €262,50 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op de verblijfsvergunningaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.4346

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum] , van Turkse nationaliteit, eiser

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. C.C. Westermann-Smit),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 27 juli 2019 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet Pro ingediend.
Op 18 februari 2020 is bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag.
Op 1 april 2020 heeft verweerder alsnog op de aanvraag beslist.
Het beroep is bij brief van 3 april 2020 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep is verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.
De rechtbank heeft bij brief van 3 april 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft op 7 april 2020 gereageerd.
Nu partijen niet hebben verzocht om op een zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
3. Bij brief van 7 april 2020 heeft verweerder aangegeven bereid te zijn de proceskosten in onderhavige procedure te vergoeden tot een bedrag van € 262,50.
4. De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingetrokken omdat verweerder tegemoet is gekomen aan eiser en dat tegelijk met de intrekking van het beroep is verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
5. De rechtbank ziet aanleiding het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe te wijzen.
6. De kosten hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn ingevolge het Besluit € 262,50 in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor licht).

BeslissingDe rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier.
De uitspraak is gedaan op 9 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.