ECLI:NL:RBDHA:2020:3480
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende identiteitsbewijs in nareiszaak
Eiseres, van Eritrese nationaliteit, heeft een machtiging tot voorlopig verblijf aangevraagd om bij haar echtgenoot in Nederland te verblijven. Verweerder heeft dit afgewezen omdat eiseres geen officiële identiteits- en familierechtelijke documenten kon overleggen. Eiseres stelde dat terugkeer naar Eritrea onmogelijk is en overhandigde een Soedanese vluchtelingenpas en een kerkelijke huwelijksakte als bewijs, maar verweerder achtte deze documenten onvoldoende.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de gedragslijn juist toepaste, waarbij onofficiële documenten alleen tot aanvullend onderzoek leiden indien ze substantieel bewijs vormen of aannemelijk is dat officiële documenten niet kunnen worden overlegd. De Soedanese vluchtelingenpas en kerkelijke huwelijksakte boden volgens de rechtbank onvoldoende zekerheid over de identiteit en familierelatie.
Verder concludeert de rechtbank dat verweerder terecht geen bewijsnood aannam, mede gelet op het Algemeen Ambtsbericht Eritrea dat stelt dat identiteitsdocumenten voor Eritreeërs gebruikelijk zijn. De stellingen van eiseres hierover zijn niet onderbouwd. De rechtbank stelt dat verweerder geen belangenafweging hoefde te maken op grond van artikel 8 EVRM Pro en dat de beoordeling van artikel 3 EVRM Pro in een asielprocedure thuishoort.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om griffierechtvrijstelling toe. Er is geen aanleiding voor een dwangsom of proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter O. Veldman op 3 april 2020 en zal later openbaar worden uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van de identiteit.