Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2020 in de zaak tussen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker heeft op 13 februari 2020 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend zonder de noodzakelijke gronden te vermelden, zoals vereist op grond van artikel 8:81 lid 4 en Pro artikel 6:5 lid 1 Awb Pro. De rechtbank heeft verzoeker bij aangetekende brief van 14 februari 2020 gewezen op dit verzuim en hem een hersteltermijn van twee weken gegeven, tevens verzocht om een kopie van het bezwaarschrift en het besluit.
De hersteltermijn eindigde op 29 februari 2020, maar de gronden werden pas op 17 maart 2020 ingediend. Verzoeker voerde logistieke hinder door de COVID-19 uitbraak aan als reden voor de termijnoverschrijding. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat in de hersteltermijn nog geen sprake was van de uitbraak en dat deze reden de overschrijding niet verschoont.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter J.M. Janse van Mantgem op 3 april 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen van de gronden zonder verschoonbare reden.