Eiser heeft een verzoek ingediend tot verlaging van het maandbedrag van zijn studieschuld per 2019, met het standpunt dat hij door een schuldsanering in Oostenrijk in 2008 is bevrijd van zijn studieschuld opgebouwd vanaf 2002. Verweerder heeft het verzoek toegewezen per 1 januari 2019 en het bezwaar van eiser tegen deze beslissing ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelt dat draagkrachtmeting niet mogelijk is voor reeds vervallen termijnen en dat het verzoek van eiser terecht pas per 1 januari 2019 is toegewezen. De stelling van eiser dat de Oostenrijkse schuldsanering ook betrekking heeft op zijn studieschuld wordt verworpen, omdat DUO ten tijde van de sanering geen schuldeiser was maar een debiteur die betalingen aan eiser verrichtte. De terugbetalingsverplichting van eiser begon pas op 1 januari 2012, waardoor er op het moment van de sanering geen opeisbare schuld was.
Daarnaast is het kwijtscheldingsbeleid van verweerder niet onredelijk en is niet gebleken dat eiser hiervoor in aanmerking komt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter Huijgens en griffier Stroebel op 9 april 2020 en zal openbaar worden uitgesproken zodra dat mogelijk is.