De zaak betreft een omgevingsvergunningaanvraag van een onderneming gevestigd aan een adres in Den Haag, waarbij het gebruik van toiletten in een aangrenzend pand ten behoeve van horeca werd aangevraagd. De gemeente weigerde de vergunning aanvankelijk omdat het gebruik strijdig was met het bestemmingsplan. Na bezwaar verklaarde de gemeente het bezwaar niet-ontvankelijk en wees het bezwaar tegen een aanvullende aanvraag af.
Eiseres, woonachtig boven de onderneming, stelde dat het gebruik van de toiletten en de horeca-activiteiten niet waren toegestaan en dat er sprake was van overlast. De rechtbank constateerde onduidelijkheden in de besluitvorming, waaronder het toestaan van een verbouwing en uitbreiding van de toiletten die niet in de aanvraag waren opgenomen, en onduidelijkheid over de datum en kennisname van de aanvullende aanvraag.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven vanwege deze procedurele en inhoudelijke tekortkomingen. De rechtbank vernietigde het besluit en droeg de gemeente op binnen drie maanden een nieuw besluit te nemen, waarbij een nadere hoorzitting moet plaatsvinden om de feitelijke situatie en belangen van partijen te betrekken.