ECLI:NL:RBDHA:2020:3187
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet en terugbetaling Zvw-bijdrage
Eiser, woonachtig in Frankrijk en gerechtigd op zorg in zijn woonland op grond van de Verordening (EG) nr. 883/2004, werd door het CAK een buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd over het jaar 2016. Deze bijdrage werd vastgesteld op € 2.947,44, waarvan nog € 1.074,42 door eiser moest worden voldaan. Centraal Beheer had over dat jaar een Zvw-bijdrage aan de Belastingdienst afgedragen, maar de Belastingdienst bepaalde later dat eiser deze bijdrage niet verschuldigd was en betaalde € 498,- terug aan eiser.
Eiser voerde aan dat het bedrag van € 498,- in mindering moest worden gebracht op de buitenlandbijdrage en deed een beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat de binnenlandse Zvw-bijdrage aan de Belastingdienst een andere bijdrage is dan de buitenlandbijdrage die het CAK vaststelt. Het CAK kan alleen rekening houden met bedragen die op grond van de geldende regelgeving aan hem zijn afgedragen.
De rechtbank verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat geen toezegging of gedraging van het CAK was gebleken waaruit eiser mocht afleiden dat het bedrag van € 498,- zou worden verrekend. Ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalde omdat geen sprake was van inconsequent handelen door het CAK. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het CAK heeft terecht de buitenlandbijdrage vastgesteld zonder rekening te houden met de terugbetaalde Zvw-bijdrage.