ECLI:NL:RBDHA:2020:3136

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2020
Publicatiedatum
7 april 2020
Zaaknummer
AWB 19/7433
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 VWEUECLI:EU:C:2017:354 (arrest Chavez Vilchez)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning EU/EER voor verblijf bij Nederlandse kinderen wegens ontbreken bewijs verzorging en afhankelijkheid

Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit en houder van een verblijfsvergunning voor Spanje, verzocht om een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij zijn Nederlandse kinderen. Verweerder wees dit verzoek af omdat niet was aangetoond dat eiser zijn kinderen verzorgt of dat zij afhankelijk van hem zijn, noch dat zij de EU zouden moeten verlaten zonder zijn verblijfsrecht.

Eiser stelde dat hij geen termijn kreeg om aanvullende stukken in te dienen en dat hij niet werd gehoord. De rechtbank overwoog dat het aan eiser was om bewijs te leveren dat zijn kinderen de EU zouden moeten verlaten zonder zijn verblijfsrecht, wat hij niet deed. Zijn verzoek om een hoorzitting en nadere termijn werd niet beantwoord, maar de rechtbank vond dit niet onzorgvuldig omdat eiser zijn bewijsverplichting niet nakwam.

Omdat eiser geen gegevens aanleverde die de noodzaak van zijn verblijfsrecht onderbouwen en hij erkende dat hij een verblijfsrecht in Spanje heeft, oordeelde de rechtbank dat de afwijzing terecht was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/7433
uitspraak van de enkelvoudige kamer en van de voorzieningenrechter van 25 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. H.J.J. Hendrikse),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kristel).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij zijn kinderen afgewezen.
Bij besluit van 2 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft in plaatsgevonden op 7 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1
Eiser is geboren op [geboortedatum] en van Nigeriaanse nationaliteit. Hij heeft een verblijfsvergunning voor Spanje. Samen met [naam] heeft eiser twee kinderen, [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum] , en [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum] . De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.
1.2
Op 3 juli 2018 heeft eiser een bewijs van rechtmatig verblijf aangevraagd voor verblijf bij zijn kinderen in Nederland op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 in zaak C-133/15 (ECLI:EU:C:2017:354; het arrest Chavez Vilchez).
1.3
Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen en de afwijzing bij het bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser zijn kinderen verzorgt of dat zij afhankelijk van hem zijn. Ook is niet gebleken dat eisers kinderen het grondgebied van de Europese Unie (EU) moeten verlaten door de afwijzing van eisers aanvraag.
2. Eiser voert in beroep aan dat verweerder hem in bezwaar ten onrechte geen nadere termijn heeft gegeven voor het indienen van verdere stukken en hem ook ten onrechte niet heeft gehoord.
3.1
De rechtbank overweegt dat uit het arrest Chavez Vilchez volgt dat het in eerste instantie aan eiser is om gegevens te verschaffen die aantonen dat zijn kinderen de EU zouden moeten verlaten als hij geen verblijfsrecht krijgt in Nederland. Dat heeft hij noch bij zijn aanvraag noch in bezwaar gedaan. Bij de motivering van zijn bezwaarschrift, bij brief van 4 april 2019, heeft hij alleen gevraagd om een hoorzitting zodat verweerder zijn kinderen met hem kan observeren en hem kan laten toelichten hoe hij en zijn partner invulling geven aan de zorg- en opvoedingstaken. Ook heeft hij gevraagd om een nadere termijn voor het indienen van verdere stukken. Op dat laatste verzoek heeft verweerder niet gereageerd. Op 2 september 2019, dus bijna vijf maanden na eisers verzoek om een nadere termijn, heeft verweerder zonder eiser te horen diens bezwaar ongegrond verklaard.
3.2
Ook in beroep heeft eiser geen gegevens verschaft die aantonen dat zijn kinderen de EU zouden moeten verlaten als hij geen verblijfsrecht krijgt in Nederland. Anders dan in bezwaar erkent hij in beroep een verblijfsrecht in Spanje te hebben en dat aan te willen houden. Hij benoemt en omschrijft geen enkele zorgtaak die hij vervult voor zijn kinderen en stelt evenmin dat er een afhankelijkheidsrelatie is. Nadere stukken heeft hij niet ingediend en ter zitting heeft hij desgevraagd ook geen stukken genoemd die hij had willen indienen.
3.3
Eiser heeft voordat verweerder het bestreden besluit nam dus op geen enkele manier invulling gegeven aan zijn verplichting om gegevens te verschaffen. Dit terwijl deze verplichting al is omschreven op het door hem ingediende aanvraagformulier. De rechtbank ziet daarom geen grond om te oordelen dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat verweerder eiser niet heeft gehoord en hem geen termijn heeft geboden voor het indienen van nadere stukken.
3.4
Alleen al omdat eiser niet heeft aangetoond dat zijn kinderen de EU zouden moeten verlaten als hij geen verblijfsrecht krijgt in Nederland, heeft verweerder zijn aanvraag kunnen afwijzen zoals hij dat bij het bestreden besluit heeft gedaan. Het beroep is daarom ongegrond.
4. Nu de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, is er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissingen

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 25 maart 2020.
Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak.