ECLI:NL:RBDHA:2020:3120
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding medicatiekosten voor dienstverbandaandoening militair
Eiser, een gewezen dienstplichtige militair met een invaliditeitspensioen wegens een dienstongeval in 1979, verzocht om vergoeding van medicatiekosten, waaronder paracetamol met codeïne. Verweerder wees dit verzoek af omdat de medicatie niet medisch noodzakelijk zou zijn voor de dienstverbandaandoening. Na bezwaar en een verzekeringsgeneeskundig advies bleef dit besluit gehandhaafd.
Eiser stelde in beroep dat de medicatie wel degelijk voor klachten voortvloeiend uit de dienstverbandaandoening was voorgeschreven en overlegde brieven van huisartsen ter onderbouwing. De rechtbank oordeelde echter dat het advies van de bezwaarverzekeringsarts voldoende gemotiveerd was en dat de medische stukken onvoldoende aantonen dat de medicatie noodzakelijk is voor de dienstverbandaandoening.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig is genomen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter R.H. Smits op 24 maart 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van vergoeding van medicatiekosten is ongegrond verklaard.