ECLI:NL:RBDHA:2020:3104

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 april 2020
Publicatiedatum
6 april 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 7936
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtWet openbaarheid van bestuur
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking verzoek voorlopige voorziening wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Verzoekster, Mercura Trade & Services Europe BV, heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, waarbij openbaarmaking van documenten werd uitgesteld. Nadat de minister schriftelijk had toegezegd het primaire besluit op te schorten tot zes weken na de beslissing op het bezwaarschrift, heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken.

De voorzieningenrechter constateert dat de intrekking het gevolg is van de tegemoetkoming door de minister en dat verzoekster proceskosten heeft gemaakt. Daarom wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten, vastgesteld op € 262,50 op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Daarnaast wordt het door verzoekster betaalde griffierecht van € 354,- terugbetaald. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Kleijn op 6 april 2020 en is niet vatbaar voor hoger beroep.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster en terugbetaling van het griffierecht.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/7936

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 april 2020 in de zaak tussen

Mercura Trade & Services Europe BV, te Roelofarendsveen, verzoekster

(gemachtigde: mr. C.N. van der Sluis),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 19 december 2019 heeft verzoekster zich tot de voorzieningenrechter gewend met een verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van verweerder van 5 december 2019, waarbij wordt overgegaan tot uitgestelde openbaarmaking van met een verzoek in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur gevraagde documenten (het primaire besluit).
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 19 december 2019 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.
Bij brief van 9 maart 2020 heeft verweerder aan de rechtbank schriftelijk medegedeeld dat het primaire besluit opgeschort wordt tot zes weken na de beslissing op het bezwaarschrift.
Naar aanleiding van deze toezegging heeft verzoekster het verzoek om een voorlopige voorziening brief van 9 maart 2020 ingetrokken. Tevens heeft verzoekster verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
Bij brief van 10 maart 2020 is verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op laatstgenoemd verzoek. Verweerder heeft hierop bij brief van 11 maart 2020 gereageerd.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in bezwaar aan verzoekster is tegemoetgekomen, in die zin dat verweerder de tenuitvoerlegging van het primaire besluit heeft opgeschort. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verzoekster om die reden het verzoek om voorlopige voorziening heeft ingetrokken en dat verzoekster proceskosten heeft gemaakt. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten is dus kennelijk gegrond.
2 De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, en wegingsfactor 0,5). Deze wegingsfactor ligt in gevallen waarin een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken na intrekking van het verzoek wegens tegemoetkoming in de rede.
3 De voorzieningenrechter bepaalt op grond van artikel 8:82, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat de griffier van de rechtbank het door verzoekster betaalde griffierecht van € 354,- aan haar terugbetaalt.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank veroordeelt verweerder in de kosten van de onderhavige procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op € 262,50,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Badermann, griffier, op 6 april 2020.
griffier voorzieningenrechter
Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze beslissing niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.
Afschrift verzonden aan partijen op: