ECLI:NL:RBDHA:2020:3016
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nareisverzoek wegens overschrijding nareistermijn niet verschoonbaar
Eiser, van Syrische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis bij zijn vader, de referent, die sinds 2015 een verblijfsvergunning asiel heeft. De aanvraag van 3 november 2017 werd afgewezen omdat deze buiten de wettelijke termijn van drie maanden na de verblijfsvergunning van de referent was ingediend.
De rechtbank stelde vast dat een eerdere aanvraag van 15 december 2015 was ingetrokken, wat rechtsgeldig is vastgesteld in een eerdere uitspraak. Eiser stelde dat verweerder het rechtszekerheidsbeginsel had geschonden door pas na de uitspraak van mei 2019 te stellen dat de aanvraag was ingetrokken en dat de nieuwe aanvraag te laat was. Dit verweer werd verworpen op basis van jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en de Afdeling bestuursrechtspraak, die bepalen dat de termijnoverschrijding niet objectief verschoonbaar hoeft te zijn en dat fouten van gemachtigden geen reden zijn voor verschoonbaarheid.
Eiser voerde ook persoonlijke omstandigheden aan, zoals psychische klachten door het gemis van zijn vader, maar de rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden geen grond voor een gegrond beroep vormen. Verweerder gaf aan dat bij een reguliere aanvraag alle bijzondere omstandigheden in acht zullen worden genomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Vanwege coronamaatregelen werd de uitspraak niet openbaar uitgesproken maar zal dit later alsnog gebeuren.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de nareisaanvraag wegens overschrijding van de termijn wordt ongegrond verklaard.