Uitspraak
Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 23 september 2019 ingekomen verzoek van:
[Y] ,
[X] ,
Verzoek en verweer
Procedure
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- het verslag van 10 februari 2020 van de bijzondere curator;
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot onmiddellijke terugkeer van zijn kinderen uit Nederland naar de Verenigde Staten, op grond van artikel 13 van Pro de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering. De moeder voerde verweer tegen dit verzoek.
Na benoeming van een bijzondere curator en een zitting op 14 februari 2020, waarbij ook de Raad voor de Kinderbescherming was vertegenwoordigd, gaf de rechtbank een voorlopig oordeel dat de overbrenging van de kinderen naar Nederland ongeoorloofd was. Partijen zijn daarop gestart met crossborder mediation.
Op 28 februari 2020 bereikten de ouders een volledige overeenkomst over zorg- en contactregeling, gezagsuitoefening en verblijfplaats van de kinderen, vastgelegd in een ouderschapsplan. De rechtbank hecht dit plan aan de beschikking en verklaart het uitvoerbaar bij voorraad.
De rechtbank overweegt dat het verblijf van de kinderen in Nederland tot juli 2020 niet meer als ongeoorloofd kan worden aangemerkt en wijst het verzoek tot teruggeleiding af wegens gebrek aan belang. De proceskosten worden verdeeld, waarbij de vader de mediationkosten draagt. De bijzondere curator beëindigt zijn werkzaamheden een maand na datum beschikking indien geen hoger beroep wordt ingesteld.
Uitkomst: Het verzoek tot aanhechting van het ouderschapsplan wordt toegewezen en het verzoek tot teruggeleiding afgewezen wegens gebrek aan belang.