ECLI:NL:RBDHA:2020:2769
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening wegens onnodig verzoek
Verzoeker had een voorlopige voorziening gevraagd tegen een besluit waarbij bezwaar tegen een last onder dwangsom ongegrond werd verklaard. Verweerder verlengde vervolgens de begunstigingstermijn tot zes weken na uitspraak in het beroep. Verzoeker trok daarop het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om proceskostenveroordeling.
De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van de Awb een bestuursorgaan bij intrekking van een verzoek om voorlopige voorziening kan worden veroordeeld in proceskosten indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen. Hoewel verweerder aan verzoeker was tegemoetgekomen door de verlenging van de begunstigingstermijn, was het verzoek om voorlopige voorziening onnodig ingediend omdat verzoeker de reactie van verweerder niet had afgewacht.
Er waren geen bijzondere omstandigheden die een proceskostenveroordeling rechtvaardigden. Daarom werd het verzoek om proceskostenveroordeling als kennelijk ongegrond afgewezen. Het griffierecht wordt niet terugbetaald. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat het verzoek onnodig was ingediend.