Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde aan een Nigeriaanse man de maatregel van voorlopige vreemdelingenbewaring op. De man stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank Den Haag behandelde het beroep op 25 maart 2020.
De rechtbank besloot af te zien van het persoonlijk horen van de vreemdeling vanwege de coronamaatregelen en het dringende advies tot social distancing. Dit werd als een bijzondere situatie beschouwd die het niet persoonlijk horen rechtvaardigt, mits de gemachtigde schriftelijk het standpunt kan inbrengen. Dit voldeed aan de eisen van artikel 5 EVRM Pro.
De man voerde aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend was in zijn uitzetting, dat hij detentieongeschikt was en dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbrak door de coronapandemie. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris voldoende voortvarend handelde, dat detentieongeschiktheid niet was aangetoond en dat de coronasituatie een tijdelijke belemmering vormde die het zicht op uitzetting niet definitief ontneemt.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de voorlopige vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.