ECLI:NL:RBDHA:2020:2608
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs
De rechtbank Den Haag behandelde op 12 maart 2020 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde, die was veroordeeld voor het aanwezig hebben van 600 hennepplanten op 13 december 2016.
De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van €225.607,70, maar beperkte dit tijdens de zitting tot €16.401,00. De verdediging voerde aan dat de veroordeelde geen betrokkenheid had bij de hennepkwekerijen en slechts kort in het pand verbleef, waardoor geen twee oogsten konden plaatsvinden. Tevens stelde de verdediging dat de veroordeelde als katvanger fungeerde en daarom niet meer dan 10% van de opbrengst zou hebben ontvangen.
De rechtbank oordeelde dat het niet aannemelijk was geworden dat de veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel had verkregen uit het bezit van de 600 hennepplanten, het enige bewezen feit. Daarom wees de rechtbank de vordering van het openbaar ministerie af.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 26 maart 2020, waarbij de rechters Holleman, Spros en Dantuma-Hieronymus het vonnis uitspraken.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs.