De rechtbank Den Haag heeft op 18 maart 2020 uitspraak gedaan in de zaak tegen een 33-jarige man die werd verdacht van het telen, aanwezig hebben en vervoeren van hennep, alsmede diefstal van elektriciteit. Het onderzoek vond plaats op 4 maart 2020, waarbij de verdachte bekend heeft de feiten te hebben gepleegd. De tenlastelegging betrof onder meer het telen van 314 hennepplanten en het aanwezig hebben van ongeveer 12 kilogram hennep in een pand te Zoetermeer, het vervoeren van 324 gram hennep in ’s-Gravenhage, en het stelen van elektriciteit van Stedin voor de hennepkwekerij.
De rechtbank achtte de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van de bekennende verklaring van de verdachte, proces-verbalen van de hennepkwekerij, bevindingen van de politie en rapportages van Stedin Netbeheer. Er was geen verweer gevoerd door de verdediging tegen de feiten.
De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten, waarbij het telen van hennep niet alleen strafbaar is vanwege de verslavende werking van THC, maar ook vanwege de overlast en het gevaar dat hennepkwekerijen veroorzaken. Daarnaast was de diefstal van elektriciteit een ernstig feit vanwege de risico’s op brand en elektrocutie. De verdachte had een strafblad met eerdere aanvaringen met politie en justitie, ook ter zake de Opiumwet.
Gezien de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte legde de rechtbank een gevangenisstraf van drie maanden op, waarvan geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 180 uur. De taakstraf kan worden omgezet in vervangende hechtenis indien niet naar behoren uitgevoerd. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht op de taakstraf.
De rechtbank verklaarde de verdachte strafbaar voor het telen, aanwezig hebben en vervoeren van hennep en de diefstal van elektriciteit, en sprak hem vrij van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden verklaard.