De rechtbank Den Haag heeft op 19 maart 2020 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte, geboren in 2000, die werd verdacht van bedreiging met een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. De primaire tenlastelegging, die inhield dat verdachte het slachtoffer had gedwongen een valse verklaring af te leggen, werd niet bewezen verklaard en verdachte werd daarvan vrijgesproken.
De rechtbank achtte echter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiaire feit heeft begaan: het bedreigen van het slachtoffer met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en het uiten van bedreigende woorden. Hierbij werd rekening gehouden met de psychische impact op het slachtoffer en de ernst van het feit.
Gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een eerdere veroordeling en een deskundigenrapport waaruit verminderde toerekeningsvatbaarheid bleek, legde de rechtbank een taakstraf van 80 uur op in plaats van jeugddetentie. Tevens werd een contactverbod opgelegd voor twee jaar met een vervangende jeugddetentie bij overtreding.
De benadeelde partij had een schadevergoeding van €15.600,- gevorderd, waarvan een deel werd toegewezen: €802,36 aan materiële en immateriële schade met wettelijke rente vanaf de datum van het feit. De overige vorderingen werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank veroordeelde verdachte tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.
De uitspraak werd gewezen door voorzitter Keulen, kinderrechter Peters en rechter De Bruijn.