ECLI:NL:RBDHA:2020:237
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en afwijzing aanvraag EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen
Eiseres, van Oekraïense nationaliteit, had een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner die met terugwerkende kracht werd ingetrokken en een nieuwe vergunning verleend vanaf januari 2013. Na beëindiging van haar relatie in augustus 2017 werd haar verblijfsvergunning ingetrokken en haar aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen afgewezen omdat zij niet vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verbleef.
Eiseres voerde aan dat zij sinds november 2012 bij haar nieuwe partner verbleef en dat bijzondere omstandigheden zoals het alcoholprobleem van haar partner en haar arbeid in loondienst zwaarder wegen dan het algemeen belang. De rechtbank stelde vast dat er een verblijfsgat was tussen november 2012 en januari 2013 en dat de ingangsdatum van de nieuwe vergunning rechtsgeldig is vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat eiseres niet voldeed aan de vijf jaar onafgebroken verblijfseis uit artikel 45b van de Vreemdelingenwet en dat haar verblijfsvergunning onder een tijdelijk verblijfsdoel viel. De bijzondere omstandigheden waren onvoldoende om af te wijken van het beleid. De stelling dat zij recht had op een andere vergunning was onvoldoende gemotiveerd.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en afwijzing van de EU-verblijfsvergunning is ongegrond verklaard.