ECLI:NL:RBDHA:2020:237

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2020
Publicatiedatum
15 januari 2020
Zaaknummer
NL19.6328
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45b VreemdelingenwetArt. 3.5 Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en afwijzing aanvraag EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen

Eiseres, van Oekraïense nationaliteit, had een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner die met terugwerkende kracht werd ingetrokken en een nieuwe vergunning verleend vanaf januari 2013. Na beëindiging van haar relatie in augustus 2017 werd haar verblijfsvergunning ingetrokken en haar aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen afgewezen omdat zij niet vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verbleef.

Eiseres voerde aan dat zij sinds november 2012 bij haar nieuwe partner verbleef en dat bijzondere omstandigheden zoals het alcoholprobleem van haar partner en haar arbeid in loondienst zwaarder wegen dan het algemeen belang. De rechtbank stelde vast dat er een verblijfsgat was tussen november 2012 en januari 2013 en dat de ingangsdatum van de nieuwe vergunning rechtsgeldig is vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat eiseres niet voldeed aan de vijf jaar onafgebroken verblijfseis uit artikel 45b van de Vreemdelingenwet en dat haar verblijfsvergunning onder een tijdelijk verblijfsdoel viel. De bijzondere omstandigheden waren onvoldoende om af te wijken van het beleid. De stelling dat zij recht had op een andere vergunning was onvoldoende gemotiveerd.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en afwijzing van de EU-verblijfsvergunning is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 19/6328
V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,
gemachtigde: mr. L.F. Portier,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 juli 2019 (het bestreden besluit).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk was aanwezig N. Faes. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De behandeling van het beroep is ter zitting aangehouden.
Eiseres heeft aanvullende stukken ingediend. Verweerder heeft daarop gereageerd, waarna eiseres nog een korte reactie heeft ingediend. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Oekraïense nationaliteit. Op 15 december 2010 heeft zij een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gekregen voor verblijf bij haar partner [naam 2] . Deze vergunning was in eerste instantie een jaar geldig en is daarna verlengd tot 15 december 2016. Op 18 januari 2013 heeft eiseres echter een aanvraag ingediend tot wijziging van de beperking: zij wenste nu verblijf bij haar nieuwe partner, [naam 3] . Op 6 mei 2013 heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 5 november 2012 en een nieuwe verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend met ingang van 18 januari 2013.
Op 26 november 2016 heeft eiseres de Nederlandse nationaliteit verkregen, onder de voorwaarde dat zij afstand doet van haar Oekraïense nationaliteit. Op 9 oktober 2018 heeft zij echter weer afstand gedaan van haar Nederlandse nationaliteit. Op diezelfde datum heeft zij een aanvraag ingediend voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.
Bij besluit van 27 maart 2019 heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 10 augustus 2017, omdat zij sinds die datum niet meer staat ingeschreven op hetzelfde adres als haar partner [naam 3] . De aanvraag om een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen heeft verweerder afgewezen omdat eiseres niet minimaal vijf jaar zonder onderbreking op basis van een geldige verblijfsvergunning in Nederland heeft verbleven. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij al sinds 5 november 2012 bij haar partner verbleef. Tot aan het eind van de feitelijke samenwoning, 10 augustus 2017, heeft zij ruim 4,5 jaar rechtmatig in Nederland verbleven. Aan de samenwoning is een eind gekomen vanwege het alcoholprobleem van haar partner. Mede gelet op het feit dat eiseres arbeid in loondienst verrichtte, dient het persoonlijk belang van eiseres zwaarder te wegen dan het algemeen belang. Tot slot stelt eiseres dat voor zover de gevraagde vergunning niet kan worden verleend, zij in het bezit dient te worden gesteld van een vergunning onder een andere beperking.
De rechtbank stelt vast dat er een zogenaamd ‘verblijfsgat’ is ontstaan: de eerste verblijfsvergunning van eiseres is ingetrokken vanaf 5 november 2012 en de nieuwe verblijfsvergunning is verleend met ingang van 18 januari 2013. Eiseres betoogt nu dat zij al vanaf 5 november 2012 bij haar nieuwe partner verbleef. Zij heeft echter geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 mei 2013, zodat de ingangsdatum van 18 januari 2013 en het verblijfsgat in rechte vast zijn komen te staan.
In artikel 45b van de Vreemdelingenwet staan de voorwaarden waar een vreemdeling aan moet voldoen om in aanmerking te komen voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Eén van die voorwaarden is dat de vreemdeling minimaal vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, op basis van een verblijfsvergunning regulier voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel.
Eiseres heeft niet betwist dat haar relatie op 10 augustus 2017 is verbroken, zodat haar verblijfsvergunning vanaf die datum kon worden ingetrokken. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder vervolgens terecht geconcludeerd dat eiseres niet gedurende vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, zodat zij niet in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning. Bovendien had zij een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner, wat volgens artikel 3.5 van het Vreemdelingenbesluit een tijdelijk verblijfsrecht is.
Dat de relatie is verbroken vanwege het alcoholprobleem van de partner en dat eiseres arbeid in loondienst heeft verricht, zijn geen dusdanig bijzondere omstandigheden die maken dat eiseres toch in het bezit had moeten worden gesteld van de door haar gevraagde vergunning. De stelling dat eiseres een vergunning onder een andere beperking had moeten krijgen is niet onderbouwd. Omdat niet is toegelicht voor welke vergunning eiseres in aanmerking denkt te komen en waarom, kan deze stelling niet tot een ander oordeel leiden.
Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2020.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.