ECLI:NL:RBDHA:2020:2343
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking Schengenvisum en toegangsweigering
Verzoekster, houder van de Kosovaarse nationaliteit, kreeg een Schengenvisum toegekend door de Deense autoriteiten, maar dit visum werd ingetrokken door de minister van Buitenlandse Zaken omdat het doel en de omstandigheden van haar verblijf onvoldoende waren aangetoond en de verstrekte informatie onbetrouwbaar werd geacht. Tevens werd haar de toegang tot Nederland geweigerd en werd zij in bewaring gesteld vanwege het grensbewakingsbelang.
Verzoekster stelde dat de intrekking onterecht was en dat zij haar dochter en familie in België en Denemarken wilde bezoeken, met bewijsstukken zoals adressen en een geboorteakte. Zij voerde aan dat er sprake was van miscommunicatie bij de Koninklijke Marechaussee en dat haar reisdoel niet betrouwbaar werd beoordeeld. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de verklaringen die verzoekster bij de grens had afgelegd niet overeenkwamen met het visumaanvraagdoel, waardoor twijfel over het reisdoel ontstond.
De voorzieningenrechter vond dat verweerder zich terecht op het standpunt had gesteld dat verzoekster bij een gewijzigd reisdoel een ander visum had moeten aanvragen of bewijsstukken had moeten overleggen. Ook was het beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen omdat de situatie van verzoeksters zoon, die wel was toegelaten, niet vergelijkbaar was. Gezien het ontbreken van een geldig visum kon de toegang tot Nederland geweigerd worden.
De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van het Schengenvisum en toegangsweigering wordt afgewezen.