ECLI:NL:RBDHA:2020:2204

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2020
Publicatiedatum
13 maart 2020
Zaaknummer
NL20.1104
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening beroepsgronden in Dublin-Zweden zaak

Eiser, een Syrische asielzoeker, heeft op 2 september 2019 zijn zesde asielaanvraag in Nederland ingediend. De staatssecretaris heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Zweden verantwoordelijk is volgens de Dublin-verordening. Eerder is eiser tweemaal overgedragen aan Zweden, maar hij keerde telkens terug naar Nederland.

Eiser stelde beroep in tegen het besluit van 14 januari 2020, maar heeft nagelaten de gronden van het beroep tijdig kenbaar te maken. De rechtbank bood een herstelmogelijkheid van vijf werkdagen, maar ook binnen die termijn werden de gronden niet ingediend. Pas na het verstrijken van deze termijn werden de gronden alsnog ingediend, wat niet toelaatbaar is.

De rechtbank overweegt dat de psychische problematiek van eiser reeds bekend was en geen bijzondere omstandigheden oplevert om af te wijken van de regels. Ook is geen evident risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij overdracht aan Zweden gebleken. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wijst een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de beroepsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.1104
V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 januari 2020 (het bestreden besluit).
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.1105, plaatsgevonden op 7 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Kurdi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Syrische nationaliteit. Op 2 september 2019 heeft hij voor de zesde keer in Nederland een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft zijn vijf eerdere aanvragen telkens niet in behandeling genomen omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Dit is meermaals bevestigd door de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verweerder heeft eiser twee keer overgedragen aan Zweden, maar beide keren is eiser teruggekeerd naar Nederland. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag opnieuw niet in behandeling genomen.
Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank - na een herstelmogelijkheid - het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 14 januari 2020 beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft echter nagelaten om de gronden van beroep binnen de beroepstermijn kenbaar te maken en hij heeft dit verzuim ook niet binnen de daarvoor gestelde termijn van vijf werkdagen hersteld. Pas na het verstrijken van deze termijn, op 24 januari 2020, heeft eiser gronden ingediend. Niet is gebleken dat dit hem niet kan worden aangerekend.
Evenmin is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan desondanks een inhoudelijke beoordeling van eisers beroep vereist zou zijn. Voor zover in dit verband namens eiser is gewezen op zijn psychische problematiek, zoals die blijkt uit zijn patiëntendossier (mogelijke bipolaire stoornis en suïcidepogingen), overweegt de rechtbank dat deze problematiek al langer bij verweerder bekend is. Het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft hierover op 11 februari en 20 mei 2019 gerapporteerd en geconcludeerd dat eiser onder voorwaarden in staat is om te reizen. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit moet worden afgeleid dat zijn situatie nu anders is. De gestelde omstandigheid dat de laatste overdracht aan Zweden niet correct is verlopen omdat toen niet is voldaan aan de door BMA gestelde voorwaarde van fysieke overdracht, laat de mogelijkheid om te reizen onder deze voorwaarde onverlet. Aangenomen mag worden dat eiser in Zweden in aanmerking komt voor medisch noodzakelijke zorg. Eiser heeft het tegendeel niet onderbouwd. Van een evident risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM bij overdracht aan Zweden is dan ook niet gebleken.
De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.