ECLI:NL:RBDHA:2020:1866
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht bij bezwaar tegen invorderingsbeschikking
Op 7 oktober 2019 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland een invorderingsbeschikking opgelegd aan verzoeker vanwege het niet verwijderen van een woonboot van een ligplaats in een vaarweg. Verzoeker heeft een dwangsom van €500,- verbeurd omdat toezichthouders op 19 en 25 september 2019 constateerden dat de woonboot niet was verwijderd. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze beschikking en verzocht tevens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De rechtbank stelde vast dat verzoeker een nota griffierecht van €178,- ontving, die op 1 februari 2020 bij hem werd bezorgd. De betaling van het griffierecht moest uiterlijk twee weken na de nota of voorafgaand aan de zitting zijn voldaan. Verzoeker heeft het griffierecht niet binnen deze termijn betaald en er zijn geen verontschuldigbare omstandigheden aangevoerd.
Op grond van artikel 8:82 Awb Pro in samenhang met artikel 8:41 Awb Pro verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter D. Biever op 4 maart 2020 en is niet vatbaar voor hoger beroep.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.