Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2020 in de zaak tussen
, geboren op [2004] en [eiser](eiser)
geboren op [2006] , onbekende nationaliteit,samen te noemen eisers,
Rechtbank Den Haag
Eisers, minderjarige kinderen van onbekende nationaliteit, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om bij hun broer (referent) in Nederland te verblijven. De moeder van eisers had reeds een mvv gekregen. De aanvraag voor eisers werd afgewezen wegens het ontbreken van een toestemmingsverklaring van de vader. Na bezwaar en een eerdere uitspraak van de rechtbank Middelburg moest verweerder een nieuw besluit nemen.
In het bestreden besluit handhaafde verweerder de afwijzing, stellende dat het gezinsleven met de moeder, bij wie eisers verblijven, prevaleert boven het gezinsleven met referent. Eisers voerden aan dat de moeder geen gezinsleven meer met hen wil en dat zij psychische problemen hebben, maar konden dit onvoldoende onderbouwen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de belangenafweging terecht heeft gemaakt en dat het gezinsleven met de moeder prevaleert. Eisers slaagden er niet in aannemelijk te maken dat de situatie gewijzigd is of dat de moeder niet meer voor hen wil zorgen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.