ECLI:NL:RBDHA:2020:15198

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 november 2020
Publicatiedatum
15 oktober 2021
Zaaknummer
AWB 20/1251-T1
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:51a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging termijn herstel gebreken in machtiging voorlopig verblijf nareis vanwege coronacrisis

In deze bestuursrechtelijke zaak betreffende een machtiging tot voorlopig verblijf nareis heeft de rechtbank Den Haag bij tussenuitspraak van 15 oktober 2020 verweerder een termijn van zes weken gegeven om gebreken te herstellen. Verweerder heeft tijdig verzocht om verlenging van deze termijn vanwege de coronapandemie, waardoor onderzoek op ambassades momenteel niet mogelijk is.

De rechtbank overweegt dat het verzoek om verlenging voldoende is gemotiveerd, mede gelet op de uitzonderlijke omstandigheden rondom COVID-19 en het feit dat geen enkele ambassade momenteel onderzoek uitvoert. De rechtbank acht het reëel om een termijn van zes maanden te hanteren voor het herstel van de gebreken, met name omdat nader DNA-onderzoek en het horen van referent en eiseres nog moeten plaatsvinden.

De rechtbank besluit de termijn te verlengen van zes weken naar zes maanden, ingaande op de dag van verzending van de eerste tussenuitspraak (19 oktober 2020). Tevens wordt iedere verdere beslissing aangehouden tot de einduitspraak in deze zaak. Verweerder dient de rechtbank direct te informeren indien hij besluit af te zien van nader onderzoek.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de termijn voor het herstel van gebreken door verweerder tot zes maanden vanwege de coronapandemie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/1251-T1
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen)
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. Metselaar).

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 15 oktober 2020 met zaaknummer AWB 20/1251-T (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen. Voor het verdere procesverloop verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak.
De tussenuitspraak van 15 oktober 2020 is aan partijen verzonden op 19 oktober 2020.
Bij brief van 28 oktober 2020 heeft verweerder de rechtbank verzocht om uitstel van de in de tussenuitspraak gestelde termijn voor het herstellen van de gebreken.
Eiseres heeft hierop een reactie gegeven.

Overwegingen

1. Verweerder heeft een verzoek gedaan om de verleende termijn voor het herstellen van de gebreken te verlengen. De reden waarom verweerder de rechtbank om uitstel verzoekt is gelegen in uitzonderlijke omstandigheden rondom het coronavirus. Verweerder verwacht dat het hierdoor niet haalbaar is om de gebreken te herstellen binnen de gestelde termijn van zes weken. Verweerder geeft aan dat hij waarschijnlijk nader onderzoek wil doen in de vorm van DNA-onderzoek en het horen van referent en eiseres. Op dit moment worden er echter nog op geen enkele ambassade onderzoeken uitgevoerd en is het onduidelijk op welke termijn dit weer plaats zal gaan vinden. Verweerder verwacht dat het reëel is om hiervoor een termijn van zes maanden te hanteren.
2. De rechtbank stelt vast dat verweerder binnen de termijn van zes weken heeft verzocht om verlenging van de in de tussenuitspraak genoemde termijn. Het verzoek is tijdig gedaan.
3. Slechts in bijzondere gevallen willigt de rechtbank een verzoek om verlenging van de in de tussenuitspraak gestelde termijn in. Het verzoek om verlenging moet daarom zijn gemotiveerd. De rechtbank verwijst naar de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 april 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM4478) en 21 september 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT2162).
4. De rechtbank acht het verzoek voldoende gemotiveerd en verlenging van de termijn gerechtvaardigd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat algemeen bekend is dat er door de situatie rondom het coronavirus processen vertraging kunnen oplopen, of zelfs (tijdelijk) geen doorgang kunnen vinden. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de mededeling van verweerder dat op dit moment op geen enkele ambassade onderzoeken worden uitgevoerd en het onduidelijk is op welke termijn dit weer plaats zal gaan vinden. De rechtbank verlengt de termijn, omdat het aanbieden van nader onderzoek zou kunnen bijdragen aan het herstellen van de gebreken.
5. De rechtbank beslist dat de termijn voor het herstel van de gebreken in plaats van zes weken, zes maanden bedraagt. Deze termijn is begonnen te lopen op de dag van verzending van de tussenuitspraak (19 oktober 2020). De rechtbank ziet in hetgeen door eiseres is aangevoerd geen aanleiding een kortere termijn te bepalen. De rechtbank overweegt hierbij nog wel dat indien verweerder toch anders besluit over het doen van nader onderzoek, hij de rechtbank hiervan per ommegaande op de hoogte dient te stellen.
6. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.

Beslissing

De rechtbank:
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes maanden na verzending van de eerste tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de eerste tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2020.
De griffier is verhinderd de uitspraak De rechter is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen. te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.