ECLI:NL:RBDHA:2020:15169
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens intrekking asielaanvraag na B8-procedure
Eiser diende op 11 januari 2018 een asielaanvraag in, welke op 20 april 2018 buiten behandeling werd gesteld op grond van de Dublinverordening omdat een ander land verantwoordelijk was. Vervolgens startte eiser een B8-procedure met een aanvraag op 3 augustus 2018. De verleende verblijfsvergunning werd op 18 december 2018 met terugwerkende kracht ingetrokken.
Eiser stelde dat Nederland na de B8-procedure verantwoordelijk was geworden voor de inhoudelijke behandeling van zijn asielaanvraag en dat verweerder onterecht niet had beslist. Verweerder stelde dat de asielaanvraag van januari 2018 rechtsgeldig was buiten behandeling gesteld en dat de ingebrekestelling van 8 mei 2019 ongeldig was omdat er geen lopende aanvraag meer was.
De rechtbank oordeelde dat de asielaanvraag definitief was afgesloten met het besluit van april 2018 en dat de intrekking van de verblijfsvergunning in de B8-procedure niet leidde tot herleving van de asielprocedure. Hierdoor was er geen lopende aanvraag waarop verweerder moest beslissen en was de ingebrekestelling ongeldig.
Het beroep is daarom niet-ontvankelijk verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter V.E. van der Does op 22 september 2020.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen lopende asielaanvraag meer was na intrekking van de verblijfsvergunning.