Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2020 in de zaken tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de staatssecretaris van Financiën, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
besluit I.
‘U heeft mij verzocht om uitstel tot 1 maart 2019 voor het indienen van de gronden voor het bezwaar. Dit uitstel verleen ik u bij dezen. De wettelijke termijn voor het beslissen op een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Dit wordt gerekend vanaf het einde van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift. Artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht biedt de mogelijkheid om deze termijn met zes weken te verlengen. Van deze mogelijkheid maak ik in dit geval’.
In oktober 2017 en januari 2019 heeft eiser via twee afzonderlijke IKAP-aanvragen 22 uren van zijn saldo aan resturen vakantieverlof 2015 ingezet voor een extra uitbetaling bovenop zijn bezoldiging. Uit scans van de P-Direkt formulieren, die eiser zijn toegestuurd op 29 oktober 2019, blijkt dat deze aanvragen op respectievelijk 31 oktober 2017 en 23 januari 2019 zijn verwerkt in het systeem van P-Direkt. Tevens blijkt uit de salarisspecificaties van 24 november 2017 en 22 februari 2019 (de primaire besluiten II), die eiser al in bezit had, dat de door eiser via IKAP verkochte uren 2015 zijn uitbetaald.
Beslissing
mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
10 december 2020.