ECLI:NL:RBDHA:2020:15111
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opheffing inreisverbod wegens niet voldoen aan verblijfsduur en formele vereisten
Eiser heeft een inreisverbod opgelegd gekregen na uitgeprocedeerd te zijn in Nederland en heeft verzocht dit op te heffen om zich met zijn echtgenote te herenigen. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees dit verzoek af omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 6.5b, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, met name het ontbreken van bewijs dat hij ten minste een jaar buiten de EU verbleef.
Eiser voerde aan dat hij de herstelverzuimbrief niet ontving en dat hij de gevraagde documenten niet kon overleggen vanwege omstandigheden rondom zijn verblijfplaats en de legalisatie van een identificatieverklaring. De rechtbank oordeelde dat de herstelverzuimbrief wel degelijk naar het juiste adres van de gemachtigde was verzonden en dat het aan eiser was om dit te ontkennen, wat niet is gelukt.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat eiser niet voldeed aan de verplichting om alle paspoortpagina’s te overleggen en dat de identificatieverklaring zonder legalisatie niet als officieel document kon worden aangemerkt. Ook de aangevoerde bijzondere omstandigheden, zoals het recht op gezinsleven en gezondheidsproblemen van de echtgenote, konden niet leiden tot een andere beslissing. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.