ECLI:NL:RBDHA:2020:15037
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken connexiteit in vreemdelingenzaak
Verzoeker heeft bij besluit van 17 oktober 2019 een intrekking van zijn verblijfsvergunning en een inreisverbod van 10 jaar opgelegd gekregen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Na een bezwaarprocedure werd het bezwaar op 3 maart 2020 ongegrond verklaard. Verzoeker stelde beroep in tegen dit bestreden besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De Staatssecretaris trok het bestreden besluit echter in per brief van 30 oktober 2020 en besloot opnieuw op het bezwaar van verzoeker. Hierop trok verzoeker zijn beroep tegen het bestreden besluit in. Bij een nieuw besluit van 11 november 2020 werd opnieuw op het bezwaar beslist, maar verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen dit nieuwe besluit.
De voorzieningenrechter stelde vast dat zonder een beroep tegen het laatste besluit er geen connexiteit met een bodemprocedure bestaat, wat een vereiste is om een voorlopige voorziening te kunnen treffen. Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk zonder zitting. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van connexiteit met een bodemprocedure.