ECLI:NL:RBDHA:2020:15027
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens twijfel aan afstammingsrelatie en gezinsleven
Eiseressen, beiden met de Ghanese nationaliteit, vroegen om een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid bij hun gestelde vader, de referent, die sinds 2008 in Nederland verblijft. Verweerder wees de aanvragen af wegens twijfel aan de juistheid van de geboorteregistraties en daarmee aan de afstammingsrelatie tussen eiseressen en referent. Tevens stelde verweerder dat er geen sprake is van gezinsleven conform artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom er twijfel bestaat over de geboorteregistraties, mede vanwege de late registratie in 2017, het ontbreken van ouderlijke registratie en eerdere verklaringen van de referent die niet stroken met de gestelde familieband. De door eiseressen overgelegde documenten zijn onvoldoende als objectief bewijs voor de afstammingsrelatie.
Verder is niet aannemelijk gemaakt dat er feitelijk gezinsleven bestaat tussen eiseressen en referent. Hoewel referent financieel bijdraagt, ontbreekt bewijs van een duurzame gezinsrelatie zoals samenwoning of gezamenlijke huishouding. De rechtbank volgt verweerder in het oordeel dat geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro.
Daarom is niet voldaan aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning en is het beroep ongegrond verklaard. Eiseressen worden vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiseressen wordt ongegrond verklaard wegens twijfel aan de afstammingsrelatie en het ontbreken van gezinsleven met de referent.