ECLI:NL:RBDHA:2020:14961
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning afhankelijke partner na intrekking verblijfsvergunning echtgenoot
Eiseres had een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking 'familie en gezin', afhankelijk van de verblijfsvergunning van haar echtgenoot, die een kennismigrant was. Verweerder trok de verblijfsvergunning van de echtgenoot met terugwerkende kracht per 1 februari 2019 in vanwege niet voldoen aan de kennismigrantenregeling, en introk daarop ook de vergunning van eiseres met dezelfde terugwerkende kracht.
Eiseres betoogde dat de intrekking onterecht was omdat haar echtgenoot tijdens de bezwaarprocedure een nieuwe verblijfsvergunning kreeg met ingang van 30 september 2019. De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was omdat op het moment van intrekking niet aan de voorwaarden werd voldaan en dat de nieuwe vergunning van de echtgenoot niet met terugwerkende kracht de intrekking ongedaan maakt.
De rechtbank stelde dat eiseres een nieuwe aanvraag moest indienen voor een verblijfsvergunning, wat zij ook heeft gedaan. Er was geen strijd met artikel 16 lid 3 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn of het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Ook was er geen schending van de hoorplicht. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning is ongegrond verklaard.