ECLI:NL:RBDHA:2020:14931
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens ongeloofwaardige bekering en tolkgebruik conform Wbtv
Eiser, een Iraanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van zijn bekering tot het christendom, die hij via een vriend had ervaren. Hij vreesde vervolging bij terugkeer vanwege deze bekering. De Staatssecretaris wees het verzoek af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van het bekeringstraject.
De rechtbank oordeelde dat het gebruik van een niet-registertolk tijdens het gehoor gerechtvaardigd was op grond van artikel 28, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv), vanwege een staking die het tijdig inzetten van een registertolk onmogelijk maakte. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat eiser in zijn belangen was geschaad door het gebruik van deze tolk.
Ten aanzien van de bekering concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende diepgang en consistentie in zijn verhaal had gegeven. Zijn verklaring over het proces van afvalligheid en bekering was niet overtuigend, mede doordat belangrijke elementen pas in beroep werden ingebracht. De rechtbank achtte het onwaarschijnlijk dat eiser een actief proces van afkeer van de islam had doorgemaakt.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de asielaanvraag afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag afgewezen wegens ongeloofwaardige bekering en geoorloofd gebruik van een niet-registertolk.