ECLI:NL:RBDHA:2020:14839
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU wegens onvoldoende afhankelijkheidsverhouding met EU-kind
Eiser, een derdelander, verzocht om een verblijfsrecht in Nederland op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met een beroep op het arrest Chavez-Vilchez. Hij wilde verblijven bij zijn zoon, een Nederlandse burger, met wie hij gedeeld ouderlijk gezag heeft. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser rechtmatig verblijf had in Italië en onvoldoende zorg- en opvoedtaken verrichtte.
De rechtbank overwoog dat voor toekenning van verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding tussen het kind en de ouder vereist is, die ertoe leidt dat het kind het grondgebied van de EU zou moeten verlaten als het verblijfsrecht wordt geweigerd. De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende invulling gaf aan zijn zorgrelatie met het kind en dat het kind altijd bij de moeder heeft gewoond.
Verder oordeelde de rechtbank dat het beroep op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet slaagt omdat het kind geen rechtstreeks belang heeft bij het besluit. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet is geschonden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU wordt ongegrond verklaard.