ECLI:NL:RBDHA:2020:14466

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 september 2020
Publicatiedatum
18 maart 2021
Zaaknummer
NL20.15519
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwVerordening (EU) nr. 604/2013Art. 17 DublinverordeningArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieRichtlijn (EU) nr. 2013/32
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.

Eiser betoogt dat er in Duitsland structurele tekortkomingen zijn in de asielprocedure, waaronder onvoldoende rechtshulp en incompetente beslismedewerkers, en dat hij daardoor risico loopt op een verboden behandeling (refoulement). Hij verwijst ter onderbouwing naar meerdere rapporten.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn geval niet opgaat. De Duitse procedure voldoet aan de Procedurerichtlijn, ook al is kosteloze rechtsbijstand niet automatisch gegarandeerd. De rapporten geven geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van een reëel risico op een verboden behandeling.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.15519

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Post).

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.15520, plaatsgevonden op 2 september 2020. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard. Verweerder stelt daarom dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielverzoek.
Verweerder heeft geen aanleiding gezien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid in artikel 17 van Pro de Dublinverordening om de behandeling van het asielverzoek desondanks aan zich te trekken.
3. Eiser voert in beroep aan dat er in Duitsland sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure. De rechtshulp in Duitsland is niet adequaat en de Duitse hoor- en beslismedewerkers zijn niet competent. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar het AIDA-rapport van april 2019 [3] , het rapport van Heinrich Böll Stiftung van juni 2019 [4] en het Germany Country Report van februari 2020. [5] Eiser voert verder aan dat Duitsland geen systeem van kosteloze rechtsbijstand kent. Hierdoor zou eiser ook niet kunnen klagen bij de Duitse autoriteiten. Ook is er geen rechtshulp beschikbaar in de aanvraagfase waardoor de advisering van asielzoekers wordt overgelaten aan de medewerkers van het BAMF, welke niet onafhankelijk en voldoende zijn opgeleid. Eiser zou door al deze tekortkomingen in een situatie terechtkomen dat hij strijd met artikel 4 van Pro het Handvest [6] en het réfoulementverbod zal worden teruggestuurd naar Mongolië.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Duitsland uitgaan van het
interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn
geval niet kan. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd.
5. Met het claimakkoord hebben de Duitse autoriteiten gegarandeerd dat zij eisers
asielverzoek inhoudelijk zullen behandelen. Dat asielzoekers in Duitsland niet automatisch
worden voorzien van kosteloze rechtsbijstand betekent niet zonder meer dat de Duitse
asielprocedure op dit punt in strijd is met de Procedurerichtlijn. [7] Uit artikel 19 en Pro verder van de Procedurerichtlijn volgt niet dat iedere vreemdeling onvoorwaardelijk recht heeft op
kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging in asielprocedures, zowel in eerste aanleg
als in beroepsprocedures. Ook biedt artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn lidstaten
expliciet de mogelijkheid om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te
bieden wanneer het beroep volgens de rechterlijke instantie of een andere bevoegde
autoriteit geen reële kans van slagen heeft. Het door Duitsland gehanteerde systeem is dus in overeenstemming met de Procedurerichtlijn.
6. Voor zover eiser stelt dat hem ten onrechte kosteloze rechtsbijstand is of zal worden
onthouden, moet dit worden ingebracht en beoordeeld in Duitsland. Dat klagen hierover bij
de Duitse autoriteiten bij voorbaat zinloos is, omdat aan eiser geen kosteloze rechtsbijstand
wordt verstrekt, volgt de rechtbank niet.
7. Ook de door eiser overgelegde rapporten geven geen aanleiding om tot het oordeel
te komen dat verweerder niet langer uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Uit de rapporten volgt immers niet dat asielzoekers in Duitsland niet objectief worden
geadviseerd en voorgelicht over de asielprocedure. Dat asielzoekers in Duitsland niet door
onafhankelijke deskundigen, maar door medewerkers van de Duitse IND over de
asielprocedure worden geadviseerd, betekent niet dat daarom de voorlichting niet juist is.
Bovendien duiden de verschillen in toewijzingspercentages niet per definitie op gebrekkige
besluitvorming. Uit de rapporten volgt dat de Duitse rechters kritisch kijken naar de besluitvorming en daar consequenties aan verbinden. Hieruit volgt dus niet dat sprake is van
aan het systeem gerelateerde tekortkomingen die ertoe leiden dat eiser in Duitsland een reëel
risico loopt op een verboden behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Zohrabian, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Asylum Information Database.
4.Ein funktionierendes Asylverfahrenssystem, schafft Vertrauen, juni 2019.
5.German Country Report: Reception Policies, Practices and Responses, februari 2020.
6.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
7.Richtlijn (EU) nr. 2013/32.