ECLI:NL:RBDHA:2020:14203
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening uitstel vertrek op grond van medische noodsituatie
Verzoeker, van Beninse nationaliteit, vroeg uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege ernstige psychische klachten. Verweerder wees dit verzoek af, waarna verzoeker bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde. Het Bureau Medische Advisering (BMA) bracht advies uit op basis van medische dossiers en concludeerde dat geen medische noodsituatie op korte termijn bestond.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het BMA-advies zorgvuldig was en dat verzoeker onvoldoende concrete aanknopingspunten had geleverd om dit advies te betwisten. De toename van doodsgedachten bij uitblijven van behandeling leidde niet tot een innerlijk tegenstrijdig advies. Ook werd de vergewisplicht niet geschonden door het niet voorleggen van een aanvullende brief van de behandelaar.
Verder werd geoordeeld dat verweerder niet verplicht was het verzoek te toetsen aan artikel 8 EVRM Pro, omdat artikel 64 Vw Pro een eigen beoordelingskader kent. Gezien het voorgaande had het beroep geen redelijke kans van slagen en was er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van uitstel van vertrek wegens medische noodsituatie wordt afgewezen.