ECLI:NL:RBDHA:2020:14143
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening en verantwoordelijkheid België
Eiser, met de Russische nationaliteit, diende op 13 oktober 2018 en opnieuw op 19 juni 2020 asielaanvragen in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvragen niet in behandeling omdat volgens de Dublinverordening België verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eiser stelde dat Nederland op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk was geworden omdat hij niet binnen 18 maanden na het claimakkoord aan Duitsland was overgedragen. De rechtbank oordeelde echter dat België geen verzoek tot over- of terugname had ingediend binnen de daarvoor gestelde termijnen en dat België expliciet had ingestemd met de verantwoordelijkheid.
Eiser voerde subsidiair aan dat de opvangvoorzieningen in België tekortschoten en dat de staatssecretaris daarom zijn aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening had moeten behandelen. De rechtbank vond dit niet aannemelijk en stelde dat de berichten van Vluchtelingenwerk Vlaanderen onvoldoende bewijs boden van ernstige tekortkomingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.