ECLI:NL:RBDHA:2020:13883

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2020
Publicatiedatum
11 januari 2021
Zaaknummer
NL20.21185
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Duitsland heeft het terugnameverzoek geaccepteerd op basis van de Eurodac-vingerafdrukken van eiser.

Eiser betoogt dat het claimakkoord met Duitsland niet duidelijk op hem betrekking heeft vanwege meerdere aliassen en dat de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan Nederland had moeten worden toegekend. De rechtbank oordeelt dat het claimakkoord voldoende duidelijk is en dat verweerder het besluit zorgvuldig en gemotiveerd heeft voorbereid.

De rechtbank wijst het beroep af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 22 december 2020 door rechter B. Fijnheer.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.21185
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. F. Bouyaghjdane),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen - Theodoulou).

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.21186 , plaatsgevonden op 22 december 2020. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser van 7 oktober 2020 niet in behandeling genomen omdat op grond van de Dublinverordening1 Duitsland verantwoordelijk was voor de behandeling daarvan. Duitsland heeft het terugnameverzoek op 2 november 2020 geaccepteerd.
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat niet voldoende duidelijk is dat het claimakkoord met Duitsland op hem betrekking heeft, aangezien het uit gaat van meerdere aliassen. Gelet op deze verschillen had verweerder onderzoek moeten doen naar de wijze waarop de registratie van eiser in Duitsland tot stand is gekomen. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening zijn asielaanvraag naar zich toe had moeten trekken.
3. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat het claimakkoord met Duitsland op het Eurodacresultaat van de vingerafdrukken van eiser is gebaseerd en dus niet op basis van de persoonsgegevens van eiser. De rechtbank is van oordeel dat dus voldoende duidelijk is dat het claimakkoord betrekking heeft op eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het voorgaande, zijn besluit voldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd en is niet gehouden de asielaanvraag conform artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken. Het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening wordt door eiser verder niet nader toegelicht. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2020 door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier.
1 Verordening (EU) nr. 604/2013
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
22 december 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.